Aan Zijn Verlegen Minnares

Hadden we maar Wereld genoeg en Tijd
was er geen kwaad in uw verlegenheid.
We zouden, Mejuffrouw, bedenken hoe
gij naar de Indische Ganges toe
Robijnen mocht komen vinden:
en 's Humbers Tij mij zou vastbinden.
Gij zoudt dus voor de Zondevloed bemind
worden door mij tien jaar en, zo me niet gezind,
tot de Jodenbekering kon
me weigeren. Gij de hemelse Bron,
zoudt m'n groffe liefde groeien doen
zo traag en groot als een Meloen.
Uw Ogen en Voorhoofd kosten toch
een Eeuw te Bewonderen en nog
twee uw Borsten te aanbidden best,
en dertig duizend jaar de rest.
Een Eeuw voor elk lichaamsdeel,
en laatst, uw Hart vertoont zich heel.
Mejuffrouw, gij verdient dus deze Staat:
ik wou niet beminnen in mind're maat.

Maar altijd hoor ik achter mij
de Koets des tijds komt dichterbij:
en ginder ligt voor ons bereid
de Woestijn der grote Eeuwigheid.
Uw Schoonheid zal dan niet meer bestaan:
en naast uw marm'ren Graf de laan
geen Lied meer hoort: en enkele Wormen
die behouden Maagd'lijkheid vervormen.
Uw Eer vergaat in stof, helaas
en mijn Begeerte verdwijnt in as.
Het Graf is een rustig privé oord,
maar daar omhelzen niet behoort.

Nu dus terwijl de Kleur der jeugd
uw huid versiert en mij verheugt,
omdat uw Ziel zo graag dat huidvocht
loslaat in een vurige Hartstocht,
nu laat ons spelen zolang we mogen:
als roofvogels zonder twist betogen
maar toch de Tijd kunnen opeten,
liever dan door hem te zijn bezeten.
Laat ons oprollen met al onz' Kracht
en onze verrukking in een Bol zo zacht:
Plezieren scheuren met krachtig streven
door d'IJzeren poorten van het Leven.
Onze Zon doen stilstaan kunnen wij niet
maar wel hardlopen, zoals gij ziet.

For those WITHOUT the Frames facility on their Web browser: Click here to go to right frame to view the English text.